Interview

Op welke leeftijd ben je begonnen met schrijven?

Antwoord:
Ik schreef als kind van een jaar of negen á tien al gedichten, en ook verhaaltjes bij schilderijen die mijn tante maakte. Het waren veelal sprookjes. Er verscheen in die tijd zelfs een verhaaltje in het dagblad Ons Noorden.

Heb je nog tijd om te lezen, en zo ja, wat lees je meestal?

Antwoord:
Lezen puur voor mijn plezier doe ik minder dan vroeger, en minder dan ik zou willen. Vroeger las ik ook veel over paranormale zaken, maar mijn geloof op dit punt wankelt flink, vooral door de vele -ismen, de typisch menselijke hokjesgeest waarin wat goddelijk zou kunnen zijn fanatiek vertaald wordt naar klein-menselijke zwakheden en onderdrukkende veeleisendheid. Ik gebruik overigens wel de losse onderdelen van het paranormale en zeker het spirituele in mijn boeken, of ik er nu zelf in mijn dagelijkse leven in geloof of niet. Meelevend in mijn verhalen neem ik het gewoon voor waar aan, die waarheid die ik gebruiken kan in de setting die ik gekozen heb (al kiest de setting mij meestal, en niet andersom). Met echte Literatuur (met de hoofdletter L) doe ik weinig. Ik voel in het meeste literaire werk te weinig spanning. Ik moet mijzelf te vaak dwingen om verder te lezen. De hoofdpersonen zitten te vaak op een voor mij oninteressant spoor. Dikwijls maken ze foute keuzes die ik niet zou maken, en dan heb ik iets van: eigen schuld, dikke bult, en interesseert het verhaal mij niet meer. Uitzonderingen daargelaten, natuurlijk. Maar dat alles ligt ongetwijfeld aan mij, niet aan de literatuur. Ik denk trouwens dat de literatuur zichzelf vaak te belangrijk vindt, en ook niet in mij is geïnteresseerd, die aspecten spelen ook wel een rol. De hele `escape'-visie. Alsof een auto van de snelweg vlucht als hij bij een benzinestation gaat tanken. Belachelijk. Als je er zo naar kijkt is de hele literatuurwereld evengoed een escape (kijk maar eens rond op een boekenbal!)

Wie zijn je favoriete schrijvers\schrijfsters?

Antwoord:
Mijn favoriete schrijvers zijn meestal SF en Fantasy-auteurs, een uitzondering vormen een aantal thrillerschrijvers, waaronder Robert Goddard, die ik zeer waardeer. Fantasyfavorieten van mij zijn, al dan niet vanwege een of twee boeken: Juliet Marillier, Ursula LeGuin, Tanith Lee, Katherine Kerr, Robin Hobb, Tad Williams, David Gemmell, William Horwood, Raymond Feist, de laatste vooral in samenwerking met Jenny Wutz, Robert Holdstock, Jack Vance ...en Tolkien natuurlijk.

Door welke schrijver ben je het meest beïnvloed?

Antwoord:
Door Vance, denk ik, net als de meeste andere Nederlandse schrijvers. Dat is vooral in mijn eerste boeken te merken. Nu ga ik toch meer mijn eigen gang. Het is toch al een proces dat zijn eigen weg gaat. Ik heb vaak het gevoel dat een verhaal van buiten mij komt, dat de ontwikkeling van mijn schrijversschap vooral betekent dat je leert je `antennes' steeds zuiverder te richten. Te vaak kom je er achteraf achter dat andere schrijvers, soms ook op heel andere plekken van de wereld, op hetzelfde moment met hetzelfde verhaalprobleem zaten te worstelen, of dezelfde geïnspireerde vondst lieten bloeien. Zo was er het begrip `Onmagiër', waarmee mijn zeer gewaardeerde collega Maryson en ik, elk in ons eigen verhaal, aan het `kleien' waren. Ik kwam er wel als eerste mee, niet wetende dat hij er ook mee werkte, maar heb, omdat de term bij mij minder belangrijk was, het woord uit mijn beoogde titel gehaald om hem niet in de weg te zitten. Een ander voorbeeld is Tad Williams. Dwergen op de rug van wolven (zoals in de wolverserie, bij hem waren het gnomen) werden hier en aan de overkant van de oceaan gelijktijdig beschreven. We hebben er later samen een interessant en prettig gesprek over gehad toen we beiden eregast waren op de jaarlijkse NCSFconventie. We hebben er ook een concert gegeven. Gezamenlijk, al kende hij mijn liedjes niet en ik al evenmin de zijne. Het werd een van de meest merkwaardige, maar ook prettigste concerten uit mijn loopbaan.

5. Was het moeilijk om destijds het laatste deel van de Merisse-trilogie van Wim Gijsen te voltooien?

Antwoord:
Moeilijk was het niet, tenminste niet nadat het idee voor het eind mij tijdens de afwas te binnen schoot. Het was alleen moeilijk om er in te duiken. Het eerste deel lag mij niet. Deel 2 en het begin van 3 gelukkig meer, ofschoon ik met opzet een `schaapse' draai aan het eind heb gegeven. Gijsen was nooit sterk in het bedenken van een climax. Het was wel een goede les voor me om de rem aan te trekken en meer de diepte in te gaan dan ik voordien deed. Daar was Gijsen met name erg sterk in. Daar heb ik blijvend lering uit getrokken (bedankt Wim)

Je vorige uitgever zei vaak dat je dikwijls elementen van het Nederlandse landschap in jouw boeken verwerkt. Wat is daarover je mening?

Antwoord:
Voor een deel ben ik het daarmee oneens, met name wat het letterlijke landschap betreft, dat is heel sterk door Griekenland gevormd. Voor een ander deel, maar dan meer in de setting, klopt het wel. Hoewel ik meestal Engelse boeken lees en de meeste inspiratie opdoe in het buitenland (Ierland, Schotland, Griekenland) door juist niet-Nederlandse zaken, vormt DE BRUIDEN VAN TYOBAR wel een duidelijke uitzondering. Annemarie van Ewijk (ex hoofdredactrice van Holland SF, vertaalster, schrijfster, dierbare moeder van de SF in Nederland) zei tijdens een panel op CONFICTION, de wereldconventie in Den Haag in 1991, dat zij mijn boeken zo Nederlands vond. Dat vond ik niet, maar ik dacht: nou, dan zul je het weten ook. Wat is er Nederlandser dan de Waddenzee? Ik heb het alleen wel zo veel mogelijk ont-hollandst. Bij ZONEN VAN CHAOS, de tweede uitzondering, is het al helemaal verborgen. Tot nu toe heeft niemand mij gezegd dat hij in die setting de echte bron: ons IJsselmeer met omringende steden uit de stadhouderstijd, heeft herkend! Maar om op de kern van de vraag terug te komen: als zoveel invloedrijke mensen het zeggen, zal het wel zo zijn. Als ik ooit aan geheugenverlies lijd, wil ik erg graag mijn boeken vanuit een onbevangen positie lezen (als ik mij dat tenminste herinner) dan kom ik er misschien achter.

De grenzen binnen het `spannende boek' zijn aan het vervagen. Wat is daarover jouw mening en bent je met je 4-delige uitstap naar prehistorische fantasy destijds naar jouw gevoel in een ander genre gaan werken?

Antwoord:
Ik ben begonnen met SF, maar dat namen de uitgevers niet, hoewel er in 2009 een geïllustreerde versie van een ouder manuscript, getiteld: Mistwereld, verschijnt, een soort van jeugdzonde. Gevoelsmatig kan ik met fantasy beter uit de voeten. Ik kan er meer in kwijt. Voor mij bestaat geen scheiding tussen fantasy en prehistorische fantasy. Het laatste leunt in zoverre zelfs tegen de SF aan, dat alle feitelijke gegevens moeten kloppen: leefwijze, steenbewerking, flora en fauna. Alleen de setting verschilt van andere soorten fantasy (tenminste bij mij, bij iemand als Jean Auel is het verschil veel groter, maar het verloop van haar feiten binnen één mensenleven klopt niet, tenzij Ayla, haar hoofdfiguur, 20.000 jaar oud is geworden!) Ik heb een sterke binding met de steentijd. Ik ben verzamelaar van artefacten, en maak ze ook zelf na: vuistbijlen, speerpunten, schrapers, pijlspitsen, steentijdkunst e. d. Het is een soort verslaving. Overigens heb ik sindsdien al weer enkele reguliere fantasyromans uitgebracht. Eerst HET WOUD VAN DE MAKER. (Je zou het niet zeggen, maar het pellen van sinaasappels heeft uiteindelijk tot dit boek geleid) Daarna kwam de SCHADUWMEESTERS-serie. Bij Kramat in Vlaanderen is dus STORMBREKER uitgegeven, mijn meest intense en verontrustende boek. Het is duister, maar ik denk uiteindelijk vreemd genoeg ook hartverwarmend. Het is van alles wat ik ooit schreef het boek dat het diepst uit mijzelf komt, al zijn het mijn demonen niet. Uit dit alles volgt dat ik aan prehistorische fantasy alleen echt niet gebakken zit, ook al heb verschijnt er als jeugdboek incidenteel wel iets van mij op dat gebied, zoals VALLEI VAN DE GEESTEN, bij uitgeverij Piramide, en binnenkort het Hunebed-avontuur.

Doet u veel aan research?

Antwoord:
Soms wel. Maar ik heb een ruime belangstelling en vergaar zodoende aardig wat algemene kennis die een basis vormt van waaruit ik verder zoek. Er zijn een aantal specifieke onderwerpen waar ik goed in thuis ben en die ik geregeld bijspijker, ook al uit pure interesse. Ik kom vaak in Griekenland. Daar ligt heel wat informatie gewoon op de grond (of op de bodem van een glas retsina) Over steenbewerking heb ik het al gehad. Als ik informatie nodig heb, zoals laatst over Byzantium en over de Kelten, dan zoek ik die op. Bij het hunebed-jeugdboek viel er niet zoveel op te zoeken. Er is erg weinig bekend over het dagelijkse leven van de TRB-mensen, zoals ze worden genoemd. Het is wel mijn ervaring dat je jezelf niet moet begraven onder kennis. Te weinig hiaten zijn dodelijk voor je invoelingsvermogen en fantasie. In het hunebedboek waren er twee nieuwe aspecten: Een tentoonstelling in het nationaal hunebedcentrum in Borger over Zweedse hunebedden, en een onderzoekspublicatie over depots van een bepaald soort, voor normaal gebruik ongeschikte bijlen aan de oevers van waterstromen. Dit was voldoende om een inspirerend raadsel te creëren, en creatief op te lossen.

Hoe vind je het om fans te hebben?

Antwoord:
Het is mij een grote eer. Natuurlijk is het fantastisch om bewonderd te worden. Niet zoals in mijn muziektijd, dat was mij te inhoudsloos en te veel van het `goede'. Zoals nu is het mooi. Liedjes zingen op mijn lezingen en dan brieven krijgen van kinderen of studenten. Met mijn mede SF-fanaten en binnen- en buitenlandse collega's praten en drinken op een conventie. Een biertje accepteren van een aardige fan, of er eentje uitdelen. Met de uitgeverij en een collega- schrijver, al dan niet beroemd, uit eten gaan, ergens in Nederland of België, of gewoon in mijn eentje mijn eigen fantasie binnenduiken in mijn werkkamer, die in veel opzichten mijn eigen wereld is. In een winkel lopen waar een lied van mij uit de luidsprekers klinkt. Stiekem kijken hoe winkelende huisvrouwen meezingen, zonder dat ze me nu na al die jaren herkennen. Lezingen op scholen en in bibliotheken vind ik fantastisch om te doen. Lekker kletsen over alles wat ik leuk vind, sketches spelen, gek doen, zingen. Heerlijk. Aandacht, actief of passief, stimuleert, en streelt bovendien de aardige hoeveelheid ijdelheid die ik de mijne mag noemen.

Peter Schaap